Afgelopen weekend was ik bij een ‘Evensong’ in de kerk, waar een van de voorbeden mij bijzonder trof (Lied 191, pagina 5 van de liturgie [.pdf]). De voorzanger zong: “Geef wie ons regeren bevrijding” waarop de cantorij antwoordde: “dat zij antwoorden als wij roepen”.

Deze tijden, met grote onzekerheden en angsten van veel mensen, vraagt om antwoorden van ‘ons die hen regeren’. Van ons politici. Maar welke antwoorden geven wij politici dan?

Als het om opvang van vluchtelingen gaat, hebben we dan plaats in de herberg; als de nood het hoogste is? Of vragen we ons af wat de opvang van 500 mensen voor invloed heeft op onze gemeentelijke begroting; zoals de VVD Dronten afgelopen weekend?

Of moet je er bang voor zijn dat je auto in vlammen opgaat als je jezelf als raadslid uitspreekt voor de komst van vluchtelingen omdat ‘bezorgde burgers’ daar een andere opvatting over hebben?

De zinnen die ik eerder noemde uit de voorbede werden vooraf gegaan door de volgende samenzang van voorzanger en cantorij: v. “Toon ons God, uw erbarmen” c. “en schenk ons uw heil!”.

‘Toon ons uw erbarmen’ en ‘geef wie ons regeren bevrijding’. Dat is wat de voorzanger eigenlijk vraagt. En ligt daarin niet meteen het antwoord besloten op de vraag die ik mijzelf stelde in het begin: ‘welk antwoord geven wij politici’?

Ik zie een debat over vluchtelingen dat wordt beheerst door angst. Angst bij grote delen van de bevolking omdat er iets op hen af komt waarvan de gevolgen niet te overzien lijken. Maar ook politici die deze angst aanwakkeren om er zelf garen bij te spinnen.

Het debat wordt (zoals Bas Heijne zaterdag stelde in NRC Handelsblad) vooral uitvochten met woorden, maar wel door steeds luider langs elkaar heen te praten. Heel veel kabaal met vooral angst en bijzaken als inhoud: Zullen de vluchtelingen niet massaal onze vrouwen en dochters komen verkrachten? (Er is geen enkele verkrachting bekend). Of zoals ‘onze eigen VVD’: komt het wel goed met onze gemeentelijke centjes?

Het zijn de angsten en bijzaken die het debat regeren en kennelijk de antwoorden die politici formuleren als ‘we worden geroepen’. Ik mis alleen al te vaak het erbarmen!

Het is natuurlijk ook niet niet eenvoudig om antwoorden te geven in deze tijd. Maar de voorzanger voeg dan ook om ‘bevrijding van hen die ons regeren’. Bevrijding van wat dan? Dat was de eerste vraag die bij me opkwam, maar ogenblikkelijk ook van een antwoord werd voorzien. Bevrijding van de angst voor de angst van de bevolking. Angst voor de manier waarop we steeds luider langs elkaar heen praten in het vluchtelingendebat en dan teruggrijpen naar de kleine zekerheden van, bijvoorbeeld, onze gemeentelijke begroting. Omdat dit kennelijk een houvast biedt.

Maar welk antwoord geven we dan?

Wat mij betreft het antwoord dat mensen die op de vlucht zijn en een veilig heenkomen zoeken, welkom zijn!

Een beetje onwillekeurig moet ik dan terugdenken aan bijna twintig jaar geleden. In de zomervakanties liep ik met een groep, van bijna 25 jeugdigen rond de twintig jaar, van de Frans-Spaanse grens naar Santiago de Compostela in Noord-Spanje. Na een lange dag wandelen zouden we, moe gelopen, gaan overnachten in het gehucht Manjarin; hoog in de bergen nabij het Cruz Ferro. Daar was een verlaten en totaal verkrot dorp waar drie zonderlinge mannen en één vrouw woonden die een ‘refugio’; een herberg voor pelgrims, runden. Het was augustus en op de hoogvlakte waar we vandaan kwamen was het tegen de 50 graden Celsius geweest in de volle zon. Boven in de bergen, die we die avond opliepen, was het mistig, nat en met 20 graden: steenkoud.

Onze groep was eigenlijk veel te groot voor de ‘refugio’ gezien het feit dat er veel meer mensen dan anders hadden besloten in deze ‘refugio’ te blijven slapen. Maar de volgende plaats om te kunnen overnachten was een, niet te overbruggen, 15 km verderop in het dal. In mijn dagboek omschreef ik de nacht die we er doorbrachten als “middeleeuwse toestanden, maar een ervaring die ik niet had willen missen”. Omdat we allemaal bereid waren een beetje in te schikken, met elkaar te koken, met elkaar te lachen en te zingen, elkaars blaren te verzorgen en met handen en voeten te spreken. En dat vraagt misschien van iedereen een klein beetje inschikken. Het is echter maar de vraag of dat erg is tenslotte.

Is het niet treffend hoezeer het Spaanse woord ‘refugio’ voor pelgrimsherberg lijkt op het Engelse woord ‘refugee’, dat vluchteling betekend. Zoeken wij niet allen gewoon een dak boven ons hoofd, wat te eten en wat warmte?

Wat mij betreft willen we een ‘refugio’ zijn voor de ‘refugees’ die nu aan de deur kloppen. Zij het; zoals met alles; binnen de mogelijkheden van het redelijk haalbare. Niet zonder voorwaarden, niet onbeperkt en misschien zelfs maar tijdelijk tot het weer veilig is waar ze vandaan komen. De grondhouding is wat mij betreft dat we plaats maken in de ‘refugio’ en dat we hen ‘de ruimte geven’. Een beetje inschikken is niet erg, het kan namelijk ook heel verrijkend werken.

Maar we moeten ook realistisch zijn! Veel van de gastarbeiders zijn gebleven, 2/3de van de Joegoslaven bleef en ook veel Syriërs zullen blijven. De burgeroorlog is morgen niet voorbij. En mensen gaan hier hun leven opbouwen. Daarom moeten we inzetten op integratie vanaf de dag dat ze hier in opvang worden genomen. Werk, taal en onderwijs. We moeten ze insluiten, niet uitsluiten. Het zijn precies die voorwaarden die ook ons college van burgemeester en wethouders stellen aan de opvang van 500 extra vluchtelingen bovenop de 1300 die er in onze gemeente al worden opgevangen: gezondheidszorg, onderwijs en veiligheid.

Het is precies dat onderdeel uit de ‘Joods/Christelijke cultuur’ (die zo velen met hand en tand willen verdedigen op dit moment) die hierin de weg wijst: ‘heb uw naasten lief gelijk uzelf’. Dat is het antwoord dat ik zou willen geven.