In NRC Handelsblad van 30 mei stellen Ingrid Jansen (voorzitter van de Nederlandse vakbond Varkenshouder) en Eric Douma (voorzitter LTO Varkenshouderij) dat ‘de hetze tegen varkensboeren ze nog eens het land uit jaagt’. Een hetze die volgens de varkenssector wordt gevoerd door organisaties als ‘Varkens in Nood’, ‘Wakker Dier’ en de Partij voor de Dieren.

Eigenlijk is het de traditionele boeren klaagzang van ‘de hele wereld die tegen de boeren is’. Zéker de veehouderij heeft daar behoorlijk last van omdat een debat over dieren snel heftiger reacties oproept dan dat een debat over de behandeling van sla.

Jansen en Douma gaan in de gebruikelijke reflex: ‘de veehouderij in Nederland doet al heel veel aan dierwelzijn’, ‘de prijzen staan al zo onder druk’ en ‘als wij het niet doen gebeurt het wel in het buitenland waar er helemaal niet aan dierwelzijn wordt gedaan’.

Stuk voor stuk zijn het valide argumenten omdat ze waar zijn. Maar dat wil niet zeggen dat dit een voldoende legitimatie is om op dezelfde weg door te gaan. Want het beeld van de varkenshouder en de maatschappij loopt uiteen.

Rond Moederdag was er grote ophef over een ansichtkaart die ‘Varkens in Nood’ verspreidde met daarop een vrouw, op haar zijde liggend in een varkensstal. Afgebeeld met meerdere borsten waaraan baby’s liggen te zogen en de begeleidende tekst: “geen moeder wil hier liggen”.

De reacties vanuit de sector waren niet van de lucht. “Een walgelijke actie zo vlak voor Moederdag”. Varkenshoudsters kwamen op twitter in actie met de hashtag #rozemoederdag en plaatste daar plaatjes van zeugende varkens die ‘topmoeders’ zijn. De actie van ‘Varkens in Nood’ werd door Varkensboerin Sabine Grobbink bij RTL Nieuws afgedaan als een “walgelijk plaatje”, als ze dat zo mag zeggen. “En ook wat vrouwonterend.”

Toch denk ik dat de gemiddelde consument niet heel veel verschil zag. Natuurlijk, de sfeer die de plaatjes oproepen zijn totaal anders, maar uiteindelijk zie je een moeder(dier) met jongen in een kraamkooi liggen. Het is een beeld van de werkelijkheid.

In NRC waarschuwen Jansen en Douwma dat de varkenshouderij door de aanvallen van de dierenlobby, maar ook partijen als GroenLinks en SP krijgen er van langs, er voor zal zorgen dat “varkenshouders weer de muren zullen gaan optrekken en niet meer willen laten zien wat zij doen. De motivatie om duurzamer te produceren zal steeds minder worden. Kortom: zonder constructieve discussie tussen boeren, maatschappij en politiek, loopt de verduurzaming van de veehouderij dood” stellen de twee.

Het is precies de verkeerde reactie omdat de sector de schuld geheel en al buiten zichzelf zoekt. Iedereen is gek, begrijpt het niet of voert een hetze. De zielige varkenshouders die het al zo zwaar hebben zijn de dupe en willen “een blijvende dialoog gebaseerd op de ratio in plaats van op emotie.”
Alle kritiek op de veehouderij wordt weg gezet als ‘emotie’ en verwijten zonder ‘ratio’ terwijl de sector zelf meteen overal vol emotie op reageert. Dat geldt voor kalveren bij de koe (zie mijn eerdere blog), maar ook nu weer bij de varkensboeren.

Terwijl de vraag of de sector misschien niet te zeer is doorgeschoten, niet eens op tafel komt. Mestoverschotten, verzuring, uitstoot van fijnstof en stank in de varkenshouderijgebieden worden niet benoemd. De milieudruk die de sector op delen van de natuur, het landschap en het milieu legt wordt buiten beschouwing gelaten omdat het ongemakkelijk is.

Naar mijn opvatting moet de sector inderdaad de open dialoog aangaan. Maar vanuit een zelfbewuste positie, in plaats van de ‘underdog’ die nu al te makkelijk uit zijn hondenhok wordt gehaald. De sector zal moeten hervormen en verkleinen om de milieudruk in evenwicht te brengen met de omgeving. Dat is onvermijdelijk de komende jaren en de sector kan beter plannen maken voor een zachte overgang, dan tegenwerken en de klappen van het kapitalisme opvangen in de vorm van faillissementen van familiebedrijven.

Maar ook het gesprek aangaan met de consument, om te laten zien dat het beeld van dartelende biggen in weides en modder niet kan. Niet zolang de voorkeur uitgaat naar de kiloknaller, boven diervriendelijker geproduceerd vlees. Ook voor consumenten is het kiezen of delen: deze vorm van veehouderij met z’n kiloknallers of meer betalen en extensievere varkenshouderijen waarvan boeren fatsoenlijk kunnen leven.

Want dat is precies wat boeren willen: fatsoenlijk leven. Dat geldt voor henzelf, maar misschien nog wel meer voor hun dieren waarvoor ze 7 dagen in de week, 24 uur per dag klaar staan als het moet. Het verklaart ook de begrijpelijke emotie van de boeren, want het is niet (alleen) hun werk; maar het is hun leven en deels ook hun identiteit.

Juist die identiteit zou de boeren een zelfbewustzijn moeten geven om dat debat met de maatschappij aan te gaan en te ontdoen van emotie. Maar dan ook alle emotie; ook die van de boeren zelf!